Stel cookie voorkeur in

Montessori-onderwijs

Onze kijk op het kind is geworteld in het gedachtegoed van Maria Montessori, en daar zijn we trots op. Ruim een eeuw nadat zij haar visies op de ontwikkeling van het kind formuleerde, is de kern ervan nog steeds springlevend.

 

Ontwikkeling van het kind

Maria Montessori nam waar dat alle kinderen in zichzelf een drang hebben om te leren en zich te ontwikkelen. Dat gebeurt volgens een zogenoemd grondplan van opeenvolgende fasen. Door deze fasen heen zijn er afwisselend perioden waarin sprake is van een vitale kracht tot het veroveren van zelfstandigheid (de ‘spontane activiteit’), en perioden met een verhoogde belangstelling voor de omgeving (de ‘gevoelige perioden’). Het ‘grondplan’ bestaat uit de volgende fasen:

Tot het derde jaar nemen kinderen onbewust via hun ‘absorberende geest’ informatie op. Er zijn gevoelige perioden voor waarnemen, leren lopen en praten.
Als zij tussen drie en zes jaar oud zijn schakelen kinderen over naar bewuste opname van informatie. In gevoelige perioden hebben kinderen zintuiglijke ervaringen, doen ze waarnemingen in de omgeving en leren ze woorden.
Tussen zes en twaalf jaar hebben kinderen gevoelige perioden voor het opnemen van kennis en het krijgen van inzicht in de cultuur waarin ze leven. Ze krijgen belangstelling voor normen, waarden en regels en willen graag met andere kinderen samen iets ondernemen.

 

Begeleiding van het kind

Deze kijk op het kind en diens ontwikkeling vraagt om een bepaalde houding en specifieke vaardigheden van de leerkrachten. De volgende principes en werkmethodes staan daarbij centraal:

 

1. Vrijheid – om zich in eigen tempo te ontwikkelen

Om de kinderen te leren kennen en hun behoeften in beeld te krijgen, is het nodig hen vrijheid te geven. Hierdoor kan het kind het eigen ontwikkelingstempo bepalen, kan de Montessori-leerkracht het kind waarnemen en vervolgens aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van het kind.

 

2. Zelfstandigheid – via de ‘spontane activiteiten’

De gegeven vrijheid is ook bedoeld om het kind tot zelfstandigheid te stimuleren. In ieder kind schuilt de wil en vitale kracht tot het ontwikkelen van zelfstandigheid. Dit uit zich door de al genoemde ‘spontane activiteit’. De Montessori-leerkracht ondersteunt deze wil en spontane activiteiten en laat daarbij overbodige hulp en onnodige belemmeringen achterwege.

 

3. Individuele benadering – omdat elk kind uniek is

Kinderen doorlopen dezelfde ontwikkelingsfasen maar verschillen in ervaring, tempo, uithoudingsvermogen, aanleg en karakter. Daarom heeft ieder kind volgens Maria Montessori het meeste baat bij een individuele benadering. De leeromgeving is hiertoe speciaal ingericht en toegerust met specifieke Montessori-materialen.

 

4. Montessori-materiaal – om zichzelf te kunnen ontwikkelen

‘Het Montessori-ontwikkelingsmateriaal biedt kinderen geen inhoud voor de geest, maar de ordening van die inhoud,’ zei Maria Montessori. Omdat het materiaal er aantrekkelijk en uitnodigend uitziet en bovendien zelfcorrigerend van aard is, ontwikkelen de kinderen zichzelf. Het Montessori-materiaal heeft zich in de afgelopen eeuw verder ontwikkeld. Ook nieuwe methoden en materialen worden daarom op onze Montessori-school ingezet.

 

5. Voorbereide omgeving – om zich door te laten inspireren

Kinderen zijn van nature nieuwsgierig en ontwikkelen zich in wisselwerking met hun omgeving. Die omgeving inspireert het kind om te leren en zich te ontplooien. De Montessori-leerkracht heeft als taak om de ‘voorbereide omgeving’ als inspiratiebron vorm te geven, zodat het kind wordt uitgedaagd om op ontdekkingstocht te gaan.

 

6. Groepsindeling – om van andere kinderen te kunnen leren

Op onze Montessorischool zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar in één klas. In de onderbouw zijn twee jaargroepen gecombineerd, in de midden- en bovenbouw drie. Zij leren van én met elkaar. Oudere kinderen helpen jongere en de jongere laten zich inspireren door de oudere kinderen. Deze rollen wisselen jaarlijks en dragen bij tot de ontwikkeling van het kind.

 

7. Diverse werkvormen – om een palet aan vaardigheden te ontplooien

Binnen een Montessori-groep wordt zowel individueel, met jaargroepjes van circa tien leerlingen, als met de hele groep gewerkt. Voorop staat het individuele werken op basis van vrije werkkeuze. De leerkracht controleert of de leerlingen hun werk evenwichtig verdelen. Een dag- of weekprogramma helpt daarnaast om tot een goede werkhouding te komen.

In de bovenbouw krijgen de kinderen hun gymnastiek- en muziekles in zogenoemde ‘niveaugroepen’. Dit biedt hun behalve sociale contacten ook de kans om te werken met kinderen van hun eigen leeftijdsgroep uit andere klassen.